Theologie aan de universiteit

Op 23 mei was ik te gast bij studenten van S.S.R.-N.U. aan de Oudegracht 32 in Utrecht voor een gespreksavond. De aanleiding voor dit gesprek was een vraag rond de vorming van de GTU (Gereformeerde Theologische Universiteit): moet die naar Utrecht komen? Wat kan dan de bredere betekenis zijn voor christelijke studenten?

In dit verhaal doe ik een paar stappen terug, om de vraag in een breder kader te plaatsen: Welke plek heeft de theologie aan de universiteit (gehad)? Hoe heeft zich dat in de afgelopen eeuwen ontwikkeld? Welke vragen zitten daaraan vast?

Het begint in de Middeleeuwen. Die periode (ca. 700 – 1500) is niet zo ‘duister’ als soms wel eens gedacht wordt. Vanaf ca. 1100 komt op diverse plaatsen in Europa de universiteit tot ontwikkeling, en dat is een van de belangrijkste cadeaus die de christelijke Middeleeuwen aan ons doorgegeven hebben. Letterlijk en basaal is de universiteit een universitas doctorum ac studiosorum: een werkgemeenschap van docenten en studenten. Dat is nog altijd de kern van de universiteit, en de beslissende voorwaarde voor haar rol als draagster van de cultuur. Lees verder

Gereformeerde identiteit: uit de tijd? (3)

Gereformeerde identiteit: waar staan we nu, en wat kunnen we ermee? Uit mijn verhaal tot nu toe kun je opmaken dat ik ‘gereformeerd’ zie als aanduiding van een flexibele traditie. Daarin spelen een aantal constante overtuigingen en inzichten een rol, die in telkens nieuwe contexten kunnen worden ingezet. We zijn begonnen bij de gereformeerde confessies uit de 16e eeuw. Dat zijn oude documenten waarin je nog steeds de hoofdpunten van je eigen geloof kunt herkennen, en die dus een vruchtbare basis vormen om over ‘gereformeerde identiteit vandaag’ na te denken. We hebben iets gezien van hoe dit gereformeerde gedachtegoed zich over verschillende sporen ontwikkeld heeft, in wisselwerking met de grote maatschappelijke en culturele ontwikkelingen van de laatste 400 jaar.

Voor dit laatste onderdeel stel ik voor om over een soort ‘gereformeerd DNA’ te spreken. Het biologische DNA kun je aanduiden met de vier letters ATGC (vraag me niet waar die voor staan). DNAUit de combinaties van deze vier letters ontwikkelt zich alle leven, en elk organisme is aan het specifieke DNA te herkennen. Zoiets zie ik ook bij de ‘gereformeerde identiteit’. Lees verder

Gereformeerde identiteit: uit de tijd? (2)

In de vorige aflevering liet ik vanuit de 16e eeuwse confessies zien waar het gereformeerde geloof in grote lijnen voor staat:

  • een hartelijk geloof in God de Drie-enige en in Jezus Christus als de enige Verlosser;
  • een besliste aanvaarding van de Heilige Schrift als het gezaghebbend Woord van God;
  • een doorleefde verwoording van de weg die God met ons gaat in zijn genadige vrijspraak en in de vernieuwing van ons leven;
  • een centrale plek in ons geloofsleven voor de verkondiging van het Woord en de sacramenten;
  • een realistische kijk op de structuren die nodig zijn om het leven van kerk en wereld te ordenen voor het doel dat God ermee heeft.

In deze hoofdpunten samengevat is het een geloof waar je ook vandaag als christen je in kunt herkennen.

Maar gaat dat zomaar, over 450 jaar heen springen en zeggen: wij zijn gereformeerd? Er is toch in tussentijd wel het nodige gebeurd?

Als we over ‘identiteit’ spreken, dan is die identiteit per definitie contextueel. Het gaat om gereformeerd zijn op déze plaats en in déze tijd. Ga voor de aardigheid eens op vakantie naar Hongarije en bezoek daar een dienst in de Hongaarse Gereformeerde Kerk. De Psalmen klinken er op dezelfde Geneefse wijzen, maar wat doen ze in zo’n andere setting? Als je naast de Psalmen de eigen Hongaarse geestelijke liederen hoort, merk je dat dan een heel andere gevoelslaag wordt aangeboord. Lees verder

Gereformeerde identiteit: uit de tijd? (1)                                         

Op 6 april 2017 hield ik een lezing voor de Groningse studentenverenigingen GSVG en Yir’at ‘Adonay. Vanuit twee ietwat verschillende tradities (vrijgemaakt-gereformeerd en bevindelijk-gereformeerd) zijn deze verenigingen bezig om samen te verkennen hoe zij in deze tijd vooruit kunnen met de ‘gereformeerde identiteit’. Wat is onderscheidend en verbindend, en hoe spreek je daarmee christelijke (aspirant-)studenten aan?

Mijn verhaal zal vooral gaan over wat het label ‘gereformeerd’ inhoudt en wat je daarmee kunt. We hebben in de voorbereiding afgesproken dat ik het niet zou hebben over de formele, organisatorische kant van identiteit: hoe je als vereniging omgaat met je grondslag, toelatingsbeleid etc.

Meervoudige identiteit

Identiteit in meervoud

Het gaat me om het historische en inhoudelijke verhaal daarachter. Wanneer ik over ‘gereformeerd’ spreek, dan bedoel ik daarmee ‘gereformeerd geloof’ als combinatie van overtuiging en spiritualiteit. Mijn insteek is daarbij vooral theologisch, want dat is mijn vak.

Gereformeerde identiteit: uit de tijd? Daarbij stel ik de vervolgvraag: uit welke tijd? We komen dan terecht in de 16e eeuw, want dat is de tijd waarin de gereformeerde identiteit voor het eerst vorm gekregen heeft. Lees verder

Trinitarische renaissance?

De laatste 30 jaar kent de theologie een opleving van aandacht voor de leer van de Drie-eenheid. Geïnspireerd door grote theologen als Karl Barth, Karl Rahner, John Zizioulas en Colin Gunton ontwikkelden hele generaties theologen uit verschillende denominaties een nieuwe trend in de triniteitsleer. Kenmerkend is een grote nadruk op de relaties in God: Vader, Zoon en Geest worden in deze ‘sociale’ triniteitsleer meestal gezien als drie min of meer individuele personen die in een intieme gemeenschap van liefde (‘perichorese’) samenzijn. Vaak wordt de lijn ook doorgetrokken naar ons: als open gemeenschap van liefde is God er op uit om ook mensen in deze gemeenschap binnen te brengen. De ‘sociale’ triniteitsleer kan zo als model en bron voor menselijke relaties worden gebruikt.

Vaak beroepen theologen binnen de ‘trinitarische renaissance’ zich op de bijdragen van de ‘Cappadocische Vaders’: Basilius van Caesarea, Gregorius van Nazianze, en Gregorius van Nyssa. Hun ‘Oosterse’ concept van God zou meer ruimte laten voor verscheidenheid en voor het dynamische werk van de Geest, terwijl de ‘Westerse’ theologie vanwege de nadruk op de wezenlijke eenheid van God leidt tot een op Christus gefixeerde, meer statische spiritualiteit. Vooral kerkvader Augustinus moet het in deze analyses vaak ontgelden.

Stephen R. Holmes, docent Systematische Theologie aan de Divinity School (St. Mary’s College) in St. Andrews, schreef in 2012 het boek The Holy Trinity: Understanding God’s Life (Paternoster / IVP): goodreads.com/the-holy-trinity. Hierin bespreekt hij de historische reconstructie van de triniteitsleer zoals in de ‘Trinitarian revival’ gangbaar is geworden. Op de laatste bladzijde (p. 200) komt Holmes tot een opmerkelijke conclusie t.a.v. de vraag: wat heeft deze ‘trinitarische renaissance’ ons opgeleverd?

Hier volgt in een lang citaat zijn antwoord:

We returned to the Scriptures, but we chose (with Tertullian’s Praxeas, Noetus of Smyrna, and Samuel Clarke) to focus exclusively on the New Testament texts, instead of listening to the whole of Scripture with Tertullian, Hippolytus, and Daniel Waterland. We thought about God’s relationship with the creation in the economy, but we chose (with the Valentinians, Arius, and Hegel) to believe that the Son must be the mode of mediation of the Father’s presence to creation, instead of following Irenaeus and Athanasius in proposing God’s ability to mediate his own presence. We tried to understand the divine unity, but we chose (with Eunomius and Socinus) to believe that we could reason adequately about the divine essence, instead of following Basil, Gregory of Nyssa, Augustine, Thomas Aquinas, and John Calvin in asserting divine unknowability. We addressed divine simplicity, and chose (with Socinus and John Biddle) to discard it, rather than following Basil and the rest in affirming it as the heart of Trinitarian doctrine. We thought about Father, Son, and Holy Spirit, but chose (with Sabellius, Arius, and Eunomius) to affirm true personality of each, rather than following Augustine and John of Damascus in believing in one divine personality.

Er valt dus in de geschiedenis van het dogma iets te kiezen …