Verlengstuk of eigen domein

Het is goed dat de kerk een moreel voorbeeld laten zien in de bestrijding van het coronavirus. Een tweede mijl meegaan is goed als tegenwicht tegen een religieus egoïsme dat zich niet tijdelijk iets kan ontzeggen. De kerken zijn echter geen verlengstuk van de overheid, maar staan voor een heel eigen opdracht: het Evangelie van Jezus Christus verkondigen, en een gemeenschap vormen die leeft van Zijn verzoening.

De coronacrisis legt veel zaken bloot die anders verborgen bleven of waar we in de snelheid van het leven aan voorbij konden gaan. Ik denk aan de sterk uiteenlopende reacties die mensen laten zien: ontkenning, angst, woede, berusting. Onder de rationele argumenten die gebruikt worden voor of tegen een strenge lockdown, voor of tegen het dragen van gezichtsmaskers, voor of tegen vaccinatie blijken primaire emoties te liggen die per persoon verschillen. Dat maakt het ook zo lastig om elkaar te begrijpen en te bereiken.

De spanningen die dit oproept bijvoorbeeld binnen een schoolteam, een voetbalclub en ook een gezin vormen wat mij betreft een van de naarste bijwerkingen van de crisis. Ongewild treedt er verzuring en verwijdering op in de onderlinge verhoudingen, terwijl we elkaar juist nu zo nodig hebben.

Ook op het terrein van de theologie roept de coronacrisis thema’s naar boven die lange tijd niet zo sterk in de aandacht stonden.

Dit keer gaat het mij niet om de bekende en belangrijke vragen rond de voorzienigheid van God. Ook wil ik niet ingaan op de impact die de coronabeperkingen hebben op het functioneren van de kerken, bijvoorbeeld als het gaat om de invulling van kerkdiensten, het jeugdwerk en het pastoraat. Daarover is al het nodige geschreven. In dit artikel wil ik inzoomen op de relatie tussen overheid en kerk, waarbij ook de taak van de overheid en de plaats van de kerk in de samenleving aan de orde zijn.

Middenveld

De thematiek is complex, en in een crisistijd als deze is het niet eenvoudig om de verschillende draden te ontwarren. Met de beperkte kennis die voorhanden is, en in omstandigheden die steeds veranderen, moet er beleid gevoerd worden dat de schade door het coronavirus zoveel mogelijk beperkt. Toch geloof ik dat het nodig is om een paar stappen achteruit te zetten en te kijken naar het grotere geheel van wat gaande is. Zulke ‘systeemkritiek’ heeft onvermijdelijk een generaliserend en abstract karakter. Ook niet alles wat in het afgelopen jaar aan knelpunten naar boven is gekomen, heeft direct met de coronacrisis te maken. Wij lopen als Nederlandse samenleving aan tegen de gevolgen van ontwikkelingen die al veel langer gaande waren.

De belangrijkste ontwikkeling in dit verband is de gewijzigde structuur van het samenleven en van de verhouding tussen overheid en burgers. In het verleden maakte onder andere het CDA zich sterk voor “het maatschappelijk middenveld”. Het idee is dat de samenleving gevormd wordt door organische verbanden en instituties die mensen samenbrengen rond een bepaald belang of doel. Denk aan sportclubs, scholen, vakbonden en onderlinge verzekeringen. De verantwoordelijkheid voor het gezamenlijke doel wordt ‘van onderop’ vormgegeven. De overheid hoeft op zulke domeinen niet rechtstreeks op te treden, maar stelt wettelijke kaders en kan financiële stimulansen geven.

Uitgehold

In ruwweg de afgelopen twee decennia is dit “maatschappelijk middenveld” voor een belangrijk deel uitgehold en verdwenen. Voor een deel ging dat samen op met de ontzuiling: vanouds waren de maatschappelijke organisaties en instellingen (tot ziekenhuizen aan toe) georganiseerd volgens godsdienst en levensbeschouwing, en juist die koppeling is door de ontkerkelijking en ontideologisering niet meer van deze tijd. Opkomende generaties verbinden zich niet meer vanzelfsprekend en duurzaam aan organisaties op basis van principes, maar meer op een pragmatische en tijdgebonden basis.

Samen met een bewuste sturing vanuit neoliberale ideeën heeft dit een sterk economische logica in de samenleving gebracht: je kiest voor goederen en diensten die je aanstaan, en daar betaal je de (liefst zo laag mogelijke) prijs voor. De betrokkenheid bij doelen en belangen voorbij het directe eigenbelang zijn afgenomen, en krijgen steeds minder vorm in verenigingen en instellingen.

De coronacrisis levert wat dat betreft een dubbelzinnig effect op. Aan de ene kant is de coronapandemie een collectief probleem dat met centraal overheidsbeleid moet worden aangepakt. Aan de andere kant wordt een sterk appèl gedaan op het individuele gedrag van burgers. Als je de minister-president hoort op de persconferenties rond corona, lijkt het alsof ieder persoonlijk verantwoordelijk is voor het handhaven van de ‘maatregelen’ en het voorkomen van besmettingen en overlijdens.

Dat is niet terecht. Voor een gezonde maatschappelijke orde is het van wezenlijk belang om rollen en taken goed van elkaar te onderscheiden. De overheid is verantwoordelijk voor het beschermen van de volksgezondheid, heeft bevoegdheden die daarvoor nodig zijn, en moet die bevoegdheden willen inzetten. Zij draagt immers het zwaard niet tevergeefs (Romeinen 13:4). Burgers zijn verantwoordelijk voor hun eigen gedrag conform de opgelegde richtlijnen, en kunnen bij afwijking gecorrigeerd worden. Wanneer de taak van de overheid onverdund bij de individuele burgers wordt neergelegd, geeft dat kortsluiting.

Bovendien wordt dan een belangrijk deel van het maatschappelijk leven overgeslagen, en wel juist dat deel waarin een belangrijk deel van onze activiteiten zich afspelen: werk, onderwijs, zorg, cultuur. Instituties zoals kerken en scholen vertegenwoordigen een eigen domein en hebben een eigen bestaansrecht. Het is niet goed wanneer dit allemaal wordt ‘gelijkgeschakeld’ ten dienste van de coronabestrijding.

Kerk geen verlengstuk

Precies op dit punt dreigt het mis te gaan. De coronacrisis roept een dynamiek op van gehoorzaamheid en verzet. We móeten wel doen wat de overheid zegt, maar we wíllen dat eigenlijk niet. Verzet is puberaal wanneer de grenzen worden opgezocht. Juist kerken mogen zich van hun volwassen en verantwoordelijke kant laten zien. Gehoorzaamheid wordt echter slaafs wanneer een organisatie niet langer de eigen kerntaak op de voorgrond plaatst.

De kerk is daar extra vatbaar vanwege het morele appèl dat gedaan wordt om alles te doen ter bestrijding van het coronavirus. Past het niet bij het christelijk geloof om ‘meer dan het gewone’ te doen? Draagt Jezus ons niet op om “een tweede mijl mee te gaan” (Mattheüs 5:41)? Voor een poosje lijkt dat sympathiek, en als tegenwicht tegen een religieus egoïsme dat zich niet tijdelijk iets kan ontzeggen is het ongetwijfeld nuttig. Op termijn doen kerken hiermee zichzelf tekort. Wij zijn geen verlengstuk van de overheid, maar staan voor een heel eigen opdracht: het Evangelie van Jezus Christus verkondigen, en een gemeenschap vormen die leeft van zijn verzoening.

Dat is het primaire bestaansrecht van de kerken, en dat dit in de huidige situatie binnen de randvoorwaarden van de overheidsmaatregelen tegen corona moet gebeuren, doet daar niets van af. Wat wettelijk is toegestaan, bijvoorbeeld kerkdiensten houden met een beperkt aantal bezoekers en voorzichtige samenzang, kan ook met een vrij en goed geweten gedaan worden. Wij hoeven er als kerken niet nog een voorzichtig schepje bovenop te doen. De morele afweging van risico’s en offers die gevraagd worden, is al in het door deskundigen ondersteunde beleid van de overheid meegenomen.

Kijk ter vergelijking naar het onderwijs: scholen zijn niet in deze wereld om een pandemie te stoppen, maar om kinderen en jongeren toe te rusten met kennis, inzicht en vaardigheden voor het leven. Ook daar geldt dat waar het even kan de energie gericht moet worden op het eigen kerndoel, en niet op het volgen en implementeren van overheidsregels en alle interne discussies die daar dan weer over gevoerd kunnen worden.

De kerk heeft zoveel meer te bieden! Ik ben blij dat na de eerste paar zondagen, vorig voorjaar, de preken en de gebeden niet meer uitsluitend over corona gaan. Juist nu is van vitaal belang om als kerken perspectief te bieden op het volle leven voor Gods aangezicht, op het evangelie van genade, op het geschenk van eeuwig leven voorbij dood en graf.

Juist wanneer kerken de bevoegdheid van de overheid erkennen om in het ‘uiterlijke leven’ bindende maatregelen te treffen, is er ruimte om zich op de eigenlijke taak van de kerk als lichaam van Christus te concentreren. Aansluitend bij de bekende drie “ambten” waarin de christen deelt in de zalving van Christus (Heidelbergse Catechismus, Zondag 12) pleit ik ervoor dat de kerken in Nederland werk maken van deze opdracht.

Omzien naar elkaar

Dat betekent stem geven aan het profetisch getuigenis over God die de Schepper en de Verlosser van het leven is. Vanuit dit geloof is er méér dan het ten koste van alles willen voorkomen van overlijdens. In de erkenning van onze eigen sterfelijkheid kunnen christenen laten zien dat onze hoop niet ligt in het hier en nu, maar in de opstanding van het vlees en in de heerlijke toekomst van een leven in gemeenschap met God.

Het betekent ook een koninklijk opkomen voor wie in de verdrukking raken. Dat zijn inderdaad de kwetsbaren die bij een besmetting met corona groot gevaar lopen – daarom mogen kerken niet achteloos met de basisregels rond corona omgaan. Inmiddels is duidelijk dat ook vele anderen in de verdrukking komen: kleine zelfstandigen die al een jaar bijna zonder inkomsten zitten; alleenstaande ouders die enkele maanden hun kinderen thuis hadden van school en dan ook nog hun eigen werk moesten doen tussen de bedrijven door; kinderen en jongeren die in apathie en depressie wegzakken, of die de dupe worden van spanningen thuis die met geweld worden afgereageerd.

Kerken kunnen als ‘sociaal netwerk’ veel voor deze mensen betekenen. Ze kunnen ook bij instanties en overheden aandacht vragen voor het leed dat mede het gevolg is van de aanpak van de coronacrisis, en zo zich sterk maken voor gerechtigheid.

Het betekent tenslotte een priesterlijk omzien naar elkaar door gebed, gebaar en gesprek. Voor ons als gezin vormt de gezamenlijke voorbede een van de belangrijkste redenen om trouw de eigen kerkdiensten te blijven ‘bezoeken’, ook als het thuis op de bank achter de laptop gebeurt. Van verschillende kanten begrijp ik dat ambtsdragers worstelen met de vraag hoe ze met de hun toevertrouwde gemeenteleden in contact kunnen blijven. Begrijpelijk is de angst om een besmettingsbron te worden bij de rondgang door de gemeente. Dit betekent echter niet dat mensen –ouderen én jongeren– alleen gelaten mogen worden met eenzaamheid en geloofsvragen. Er wordt creativiteit en moed gevraagd om gehoor te blijven geven aan de oproep van Jezus: “Weid mijn lammeren” (Johannes 21:15).

Dit artikel verscheen eerder in het aprilnummer van Protestants Nederland

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s