Met twee woorden spreken

Op 13 oktober wijdde de PThU vestiging Groningen een mini-symposium aan een belangrijk boek van Rinse Reeling Brouwer: Karl Barth and Post-Reformation Orthodoxy (Ashgate 2015). Vanuit m’n eigen onderzoek naar Barth en de gereformeerde scholastiek op het terrein van de Godsleer hield ik dit verhaal:

“Met twee woorden spreken: de ‘eenvoud Gods’ en de genadige verkiezing tussen gereformeerde orthodoxie en Karl Barth”

Bijdrage aan mini-symposium “Barth en de Orthodoxie van na de Reformatie”, PThU Groningen 13 oktober 2016

Met het boek dat we vanmiddag bespreken, legt Rinse Reeling Brouwer een belangrijk stuk onderzoek op tafel. In het verleden stonden “Karl Barth” en “Gereformeerde onderzoek” vaak als twee werelden los van elkaar. Nu worden die twee constructief met elkaar in gesprek gebracht.

Daarmee volgen we de grote meester zelf: Karl Barth wilde serieus in gesprek met de protestants-orthodoxe traditie van theologie, zeg maar de tijd tussen 1550 en 1800. Reeling Brouwer tekent heel nauwkeurig de intensieve omgang van Barth met de scholastieke ‘vaderen’. Tegelijk blijft Barth denken in zijn eigen, dialectische kader. Methodisch levert dat de vraag op, waardoor je je in de beschrijving laat leiden: Barths eigen wijze van receptie van scholastieke auteurs, of het denken van die auteurs zelf? De kans is groot dat ze tegen elkaar in denken, of minstens langs elkaar heen. Reeling Brouwer laat in zijn boek hoe de misverstanden in Barths omgang met de protestantse orthodoxie soms heel creatief konden uitpakken. Tegelijk moet je theologiehistorisch dus wat op je hoede zijn als Barth elementen uit de scholastieke theologie in zijn eigen dogmatiek opneemt, of dat nu instemmend gebeurt of – wat meestal bij Barth het geval is – in kritische revisie. Heeft Karl Barth het werkelijk over hetzelfde als de vroegere auteurs bij wie hij aansluit?

Op twee aangelegen punten wil ik dit inhoudelijk demonstreren. Het ene gaat over de mogelijkheid en de aard van onze Godskennis. Het andere gaat over de leer van de uitverkiezing en over relatie tussen God en mens in dat leerstuk.

In mijn eigen onderzoek kwam ik tot de conclusie dat Karl Barth juist op het terrein van de Godsleer het dichtste nadert tot de gereformeerde orthodoxie. Ik ben geneigd te zeggen: nu nog even doorpakken!

Het eerste hoofdstuk van Reeling Brouwer’s boek gaat over de interactie van Karl Barth met zijn Bazelse voorganger Amandus Polanus von Polansdorf. Wat mij betreft is dit meteen een ijzersterke analyse van hoe Barth met zijn bronnen uit de protestantse scholastiek omging, in een haat/liefde-verhouding. Barth toont bewondering voor de scherpte en de diepte van het theologisch denken bij Polanus. Tegelijk geeft hij blijk van een zekere argwaan, omdat hij vermoedt dat er op beslissende punten een dualistische trek door het gereformeerde denken loopt. Reeling Brouwer geeft een fraaie en verhelderende uitleg van het didactische schema dat Amandus Polanus in zijn grote handboek, de Syntagma, hanteert, en dat ontleend is aan de Franse humanist-filosoof Petrus Ramus. Vanuit een basisdefinitie van theologie als “de kunst om voor God te leven” (ars Deo vivendi) werkt Polanus in een doorgaande reeks tweedelingen alle onderwerpen van de theologie uit. Aan het boek vooraf gaat een van de beroemde ‘ramistische kaarten’, waarin als een steeds verder uitgesplitst boomdiagram de hele structuur van het boek wordt afgebeeld. Rinse Reeling Brouwer geeft aan dat Barth onvoldoende besefte hoe deze opzet doorwerkt in het theologisch betoog van Polanus. Barth haalt onderdelen aan, los van de plaats die ze bij Polanus hebben in het geheel. Een echte vondst is wat mij betreft de stelling van Reeling Brouwer dat je de ramistische schema’s niet alleen in de verticale richting moet lezen: de twee lijnen die van elkaar worden onderscheiden; maar ook in de horizontale richting: wat is het grote verhaal dat door dit woud van onderscheidingen zich een weg baant? Reeling Brouwer betoogt dat de horizontale leesrichting onthult waar het Polanus uiteindelijk om te doen was: via een procedé van intensivering komen we steeds dichter bij het doel uit, dat als het ware voor het laatst bewaard wordt. Met deze leeswijzer neemt Reeling Brouwer al een groot deel van de dreiging van dualisme weg. Toch blijft dan nog één hard punt over: de leer van de eenvoud Gods (simplicitas Dei). Volgens Polanus en met hem de scholastieke traditie, katholiek én protestants, zijn de eigenschappen van God niet reëel van elkaar en van Gods wezen gescheiden. God hééft zijn eigenschappen niet, alsof het aangehangen kwaliteiten zijn die je ook als een jas weer kunt uitdoen. God ís zijn eigenschappen, alles wat in God is, is God.

Barths verhouding tot dit uitgangspunt in de Godsleer is ambivalent. Op zijn eigen manier onderschrijft hij de kern ervan. Zelfs wanneer hij in zijn eigen uitwerking bewust spreekt over de multiplicitas Dei, is de kloof met de traditionele simplicitas niet zo groot als ’t misschien lijkt. De stelling dat de eigenschappen onderling en ten opzichte van het wezen van God niet ‘reëel verschillen’ sluit namelijk bepaalde vormen van verschil of onderscheid niet uit: je kunt bijvoorbeeld stellen dat de ‘almacht’ van God andere objecten en daardoor ook andere effecten heeft dan zijn ‘wijsheid’ of ‘rechtvaardigheid’; dan is er een ‘virtueel’ verschil tussen die eigenschappen, zoals in de thomistische traditie wordt geleerd. Een manier om het verschil nog wat sterker aan te zetten, is door te stellen dat de verschillende begrippen of concepten die wij gebruiken voor ‘almacht’, ‘wijsheid’, ‘rechtvaardigheid’ etc. niet puur aan ons beperkte kenvermogen toe te schrijven zijn, maar dat zij ook een verankering of fundament hebben in God zelf; dit kun je met Duns Scotus en zijn navolgers een ‘formeel’ of ‘conceptueel’ onderscheid noemen. Ik noem dit om duidelijk te maken dat Barth en zijn scholastieke collega’s niet persé tegenover elkaar hoeven te staan. Wel is duidelijk dat Barth reserve bleef houden op het punt dat volgens hem de scholastieke leer een onzekerheid inbouwt ten aanzien van de betrouwbaarheid van onze kennis over God. We kunnen dan wel de bijbelse woorden als ‘almacht’, ‘wijsheid’, ‘rechtvaardigheid’ etc. voor God gebruiken, maar wanneer volgens de simplicitas Dei al deze eigenschappen ten diepste samenvallen, blijft dan de eigenlijke werkelijkheid van wie God is niet voor ons verborgen?

Op dit punt is er wel reden om Barth tégen Barth in stelling te brengen. Of anders gezegd: in de kritiek die Barth levert op de orthodoxe vaderen neemt hij eigen vooronderstellingen mee, die op hun beurt kritisch bevraagd kunnen worden. Bij de vraag naar Gods eigenschappen komt Barth met een principe dat in het geheel van zijn theologie verrassend is. Rinse Reeling Brouwer signaleert dit op p. 69 van zijn boek: “For Barth, on the contrary, human speaking of God must correspond with the inner being of God. And for that reason it is important that also the multiplicity in human speaking of God truly corresponds to a multiplicity within God himself – (…) the multiplicity of the divine virtues, and corresponding with this the multiplicity of his acts of salvation.”

Het is niet toevallig dat hier het woord ‘correspondentie’ opduikt. Eerder al heeft Barth in KD I/1 over ons kennen van Gods Woord gezegd dat het wordt mogelijk gemaakt door ‘geloof’ als ‘gelijkvormigheid’ of ‘analogie’ met God die in ons wordt gelegd. Wanneer het Woord als ‘object’ van buitenaf naar ons toekomt, brengt het een innerlijk aanknopingspunt in ons als ‘subject’ met zich mee. In dit verband interpreteert Barth de bekende bijbelse uitdrukking analogia fidei (Rom. 12:6) in termen van epistemologie: het is de correspondentie of overeenstemming tussen het gekende object en de daad van het kennen. Ik noem het verrassend, als Barth in de theologische epistemologie zo inzet op het principe van de correspondentie. Verrassend, omdat Barth juist bekend geworden is door zijn frontale kritiek op het roomskatholieke idee van de analogia entis als brug tussen de menselijke kennis en het spreken over God. Ik weet: wat Barth over de analogie des geloofs zegt, is keurig ingebed in de actualistische dialectiek, en onderworpen aan Gods vrije daad van openbaring. En in zijn analyse vangt Reeling Brouwer de kritiek nog eens extra op door de menselijke Godskennis heel bescheiden te typeren als ‘kennis onderweg’, theologia viatorum.

Toch wil ik de vraag opwerpen of Karl Barth hier niet een onbereflecteerd kennisideaal, nl. het ideaal van correspondentie, hanteert als vereiste voor wat waarachtige kennis over God mag heten. En als keerzijde: of de protestantse scholastiek – in het spoor van haar middeleeuwse voorgangers – niet reëler en bescheidener te werk ging door zich in een uitgewerkte analogieleer rekenschap te geven van overeenkomst èn verschil in hoe onze menselijke begrippen op God van toepassing zijn? Barths kritiek op de simplicitas Dei is voornamelijk materieel: het leerstuk zou leiden tot dominantie van de uiteindelijke eenheid van God over de verscheidenheid van zijn openbaring. Maar mijns inziens mag Barth niet zomaar wegkomen met het epistemologische principe dat hij daarbij postuleert. Met twee woorden spreken: met goede grond mogen wij over het rijke veelvoud van Gods volkomenheden spreken, want zo is Hij werkelijk. En tegelijk beseffen wij dat wij in onze woorden één voor één moeten zeggen wat bij God in elkaar ligt. Dat is geen sluimerend dualisme, dat is dankbare erkenning van Gods grootheid die ons beperkte verstand overstijgt.

De Godsleer is het terrein waarop Karl Barth de protestantse orthodoxie het dichtste nadert, poneerde ik zostraks. Tegelijk begint zich hier de verwijdering af te tekenen die in Barths latere theologie, met name in de KD-delen over de verzoening, zichtbaar wordt. Ik doel op zijn unieke en vernieuwende behandeling van Gods genadige verkiezing. Ook Rinse Reeling Brouwer signaleert in het laatste hoofdstuk van zijn boek dat hier de meest radicale breuk met de orthodoxe traditie ligt. In 10 punten geeft Reeling Brouwer dan een korte maar verhelderende weergave van de kernbeslissingen die Barth neemt in de verkiezingsleer. Daarin wordt onder andere duidelijk hoe Barth ook in zijn eigenzinnige weg contact blijft houden met belangrijke aanzetten die in de gereformeerd-orthodoxe verkiezingsleer aanwezig zijn. Eén dimensie blijft onbesproken, en dat is hoe Karl Barth omgaat met de fundamentele relatie tussen God en mens. Dit is cruciaal voor de verkiezingsleer, en slaat van daaruit terug op de leer van het verbond.

Zoals bekend, bereikt Barths ‘christologische concentratie’ in de predestinatieleer een hoogtepunt. Christus is de verkiezende God én de verkoren mens. Zowel het subject als het object van de verkiezing zijn in Christus bepaald. Dit heeft een verleidelijke en overtuigende kracht, omdat Karl Barth op deze manier erin lijkt te slagen om ‘predestinatie’ te ontdoen van de gure gevoelswaarde die het ‘dubbele’ van verkiezing én verwerping, en meteen ook van de deterministische dreiging die velen in onzekerheid heeft gebracht. Verkiezing is goed nieuws, verkondigt Barth: in Christus heeft God vóór jou gekozen, en niets ter wereld kan daar tussen komen. Zelfs jouw eigen rebellie tegen God niet. Geen enkele mens is ten laatste door God verworpen, omdat Christus al onze verwerping heeft gedragen en overwonnen. Verwerping is een lege verzameling geworden, of met een geliefde spreekwijze van Karl Barth: een onmogelijke mogelijkheid.

Toch vraag ik me af of we zo niet te makkelijk onder de realiteit uitkomen. In de leer van de uitverkiezing is de verhouding tussen Gods beslissende keuze en onze menselijke keuze aan de orde. Gereformeerde theologie in de tijd na de Reformatie heeft zich hier intensief rekenschap van gegeven, en gezocht naar conceptuele uitdrukkingsvormen om een precieze balans te vinden tussen Gods soevereiniteit en menselijke vrijheid. Eerder in zijn Godsleer is Karl Barth daar heel dicht bij gekomen, als het gaat om Gods voorkennis en Gods wil.

Bij Gods uitverkiezing geldt een overwicht van Gods genade: niet door onze eigen inbreng of verdienste worden wij behouden, maar alleen door Gods vrije welbehagen. Bij de verwerping, echter, speelt op de een of andere manier wel ons eigen handelen en onze keuze tegen God mee. Niet alsof Gods besluit om sommigen zijn genade niet te geven afhangt van de zonde en de rebellie van mensen. Ook verwerping is een vrije daad van God. Toch spoort die – anders dan bij de uitverkiezing tot behoud – wel met wat wij er zelf van maken. Zonde als radicale keuze tégen God is niet de oorzaak, maar wel het terechte aangrijpingspunt van Gods straffend oordeel. In het leven van mensen die in dit verzet tegen God volharden, werkt de verwerping door als de definitieve, goddelijke bevestiging van de keuze die mensen zichzelf aandoen. Er is óók een volharding van de ónheiligen! Het ondenkbare gebeurt: mensen kiezen ervoor om eeuwig van God verwijderd te blijven, en daarin worden ze door God volstrekt serieus genomen.

Karl Barth presenteert een fascinerend en buitengewoon aantrekkelijk alternatief, door heel deze spanning tussen genadige verkiezing en bittere verwerping in Christus te trekken, en het daarmee binnen te halen in het leven van God Drie-enig zelf. Mijn spirituele probleem is dat hiermee de bittere realiteit van volgehouden zonde wordt miskend. Het conceptuele probleem dat daaronder ligt, is dat de relatieve zelfstandigheid en verantwoordelijkheid van mensen wordt opgeheven, of beter: wordt opgezogen in het dialectische verhaal van de verzoening zoals Barth dat schetst. Zeer consequent herleidt hij alles tot het ene Woord, Jezus Christus. Op dit punt sluit ik mij aan bij kritiek die al in 1976 werd geuit door Michael Plathow in zijn analyse van de concursus divinus in de scheppingsleer van Barth. Ik werp de vraag op of we niet beter ook hier blijven spreken met twee woorden: genade èn zonde, verkiezing èn verwerping, geloof èn ongeloof. Doet spreken met twee woorden niet meer recht aan wat er speelt tussen God en mens? Roept het uiteindelijk niet meer verwondering op over de glorie van Gods genade die onze werkelijke weerstand overwint?

Karl Barth ging intensief in gesprek met zijn theologische voorgangers. Het boeiende is dat deze voorvaderen over een afstand van eeuwen konden terugpraten en konden tegenspreken – en vaak vonden ze gehoor bij Karl Barth. Nu zijn wij aan de beurt om het gesprek voort te zetten over de grote vragen van God en wereld, geloof en genade.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s