Een cultuurbepaalde lijn — of is er meer aan de hand? Paulus, Petrus en Jezus over de positie van vrouwen in het deputatenrapport Samen dienen

 

Wolter Rose

25 januari 2017

In een eerste gastblog heb ik vragen gesteld bij de manier waarop het rapport Samen dienen van de deputaten “M/V en ambt” het onderscheid tussen beschrijvende teksten en voorschrijvende teksten hanteert. In dit tweede gastblog zet ik kanttekeningen bij het gebruik van typeringen als “cultuurbepaalde lijn” en “patriarchale cultuur”.

Een “cultuurbepaalde” lijn

Het rapport worstelt met het “‘probleemloos’” voortbestaan tot in het Nieuwe Testament van wat het rapport noemt de “cultuurbepaalde” lijn van ondergeschiktheid van vrouwen aan mannen. De manier waarop die worsteling zich voltrekt, versterkte mij in mijn overtuiging dat we met deze typering in het rapport (“de “cultuurbepaalde” lijn van ondergeschiktheid van vrouwen aan mannen”) bij de kern van het probleem zitten.

Idealist Fallacy

In de eerste plaats is de tegenstelling die het rapport maakt tussen de apostelen aan de ene kant en Jezus aan de andere kant kunstmatig. Wanneer je bij Jezus alleen maar de genadige of maatschappijkritische lijn in de zin zoals door het rapport bedoeld meent aan te treffen, dan maak je je naar mijn mening schuldig aan wat John Elliott noemt de “idealist fallacy”: de redeneerfout van het toeschrijven van een bepaald ideaal of ideologie, in dit geval een modern westers gelijkheidsideaal, aan een cultuur die wezenlijk anders is dan je eigen cultuur, in dit geval een antieke beschaving van tweeduizend jaar geleden.

Dat er bij Jezus uitsluitend sprake is van wederkerigheid in de man-vrouw verhouding kun je overigens alleen maar volhouden wanneer je voorbijgaat aan het feit dat Jezus alleen mannelijke apostelen koos en aanstelde. In het deputatenrapport wordt aan dit gegeven geen aandacht gegeven, opnieuw een voorbeeld van het niet-representatief zijn van de selectie binnen het relevante tekstmateriaal die in het rapport gemaakt wordt.

De omissie is niet te repareren met de soms geopperde suggestie dat Jezus zich op dit punt strategisch aanpaste aan de omringende cultuur, met het oog op een succesvolle voortgang van het Evangelie. Daarvoor is in het Nieuwe Testament geen enkele aanknopingspunt te vinden. De suggestie van zo’n strategische aanpassing lijkt mij ook moeilijk te rijmen met de vermelding van de namen van deze twaalf apostelen op de twaalf grondstenen van de stadsmuur van het nieuwe Jeruzalem in het visioen dat de apostel Johannes ontvangt over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde (Opb. 21:14) naast “de namen van de twaalf stammen van Israëls zonen” op de twaalf poorten van de stad (Opb. 21:12).

Inclusiviteit

Ook in de duiding van Gal. 3:28 maakt het rapport (13) zich schuldig aan de “idealist fallacy”. Paulus’ woorden over het “allen één in Christus” zijn hebben alleen in zoverre iets te zeggen over gelijkheid dat het heil in Christus bedoeld is voor alle mensen, ongeacht etniciteit, sociale status of geslacht. Het gaat in dit vers over de inclusiviteit van het Evangelie, niet over sociale gelijkstelling of de opheffing van sociale of economische onrechtvaardigheid.

Hoezo cultuurbepaald, hoezo patriarchaal?

Met andere woorden: bij Jezus zijn beide lijnen aanwezig: de zgn. cultuurbepaalde lijn en de maatschappijkritische lijn — op dat punt is er in tegenstelling tot wat het rapport beweert geen verschil tussen Jezus aan de ene kant en apostelen als Paulus en Petrus aan de andere kant. Deze constatering geeft reden om een vraagteken te zetten bij de adequaatheid van de typering van de eerstgenoemde lijn als een “cultuurbepaalde lijn”.

De sociale werkelijkheid van samenlevingen in het Oude Nabije Oosten en in de Grieks-Romeinse wereld is complexer dan het rapport het voorstelt. Het rapport komt niet verder dan uitdrukkingen als “een sterk patriarchale cultuur” als typering van de samenlevingen in de tijd van het Oude en Nieuwe Testament. Dat laat zien dat de analyse van deze oude culturen erg aan de oppervlakte blijft steken. Alsof er geen belangrijke verschillen zijn op het punt van de man-vrouw verhouding tussen Egypte en Mesopotamië, of tussen Egypte en het latere Griekenland. Alsof er achter een door mannen gedomineerde wettelijke of culturele code niet een dynamische sociale werkelijkheid schuil kan gaan waarin je op een bepaalde manier kunt spreken van macht van vrouwen (Meyers).

De wetgeving in het Oude Testament is met het rapport inderdaad “genadig” te noemen. Tegelijk behoudt de man een centrale rol binnen de familie (Block), en de wetgever doet geen poging daar een eind aan te maken. Is er maar één verklaring mogelijk: dat dit een aanpassing zou zijn aan een omringende cultuur? Of is het ook mogelijk dat er hier meer aan de hand is dan een aanpassing aan een omringende cultuur?

Een goed ontwerp en een ontaarde werkelijkheid

Als de zgn. cultuurbepaalde lijn zoveel ruimte krijgt in het Oude Testament en zolang blijft bestaan tot diep in het Nieuwe Testament, en je vindt die lijn niet alleen bij Paulus en Petrus maar ook bij Jezus — dan rijst er voor mij inderdaad een vraag. Doe je recht aan deze lijn door hem cultuurbepaald te noemen? Of is er meer aan de hand?

Zou het kunnen zijn dat de werkelijkheid waarnaar de uitdrukking verwijst een complexe combinatie is van iets wat in zichzelf moreel goed is en een verwerpelijke ontaarding daarvan? En moeten we misschien zeggen dat het de uitdaging en roeping is van elke menselijke samenleving om de goede kern los te peuteren uit de ontaarde bast?

Asymmetrie

Ik zou de goede kern zo willen omschrijven: in het ontwerp van de schepping van man en vrouw is een asymmetrie aanwezig in de rol en de verantwoordelijkheid van mannen aan de ene kant en die van vrouwen aan de andere kant. Zoals de theologiegeschiedenis heeft laten zien (Roberts) is het niet eenvoudig en kan het riskant zijn die asymmetrie al te concreet in te vullen.

Ik doe een voorzichtige poging: bij de invulling van die asymmetrie kun je denken aan een initiërende rol en verantwoordelijkheid van de man vs. een aanvullende rol en verantwoordelijkheid van de vrouw. Ik vind het trouwens opvallend dat het rapport er ook niet aan ontkomt in een vergelijkbare richting te denken (24). Het rapport gebruikt dan de uitdrukking koppositie. Ik vind dat niet een echt gelukkige greep. Waarom niet gewoon “hoofd-zijn”?

In ieder geval voor mij vallen wanneer je uitgaat van een asymmetrisch ontwerp een flink aantal puzzelstukjes beter op hun plaats. Ik denk dan aan gegevens als: de volgorde in de schepping, waar de apostel Paulus op wijst (1 Tim. 2:13); het initiatief dat de man heeft in de weg naar een huwelijk (Gen. 2:24; een initiatief dat ook in de aanhaling van deze woorden door Jezus [Matt. 19:5-6] blijft bestaan, terwijl hij wel een andere belangrijke wijziging in de tekst van Genesis doorvoert [“die twee” i.p.v. “zij”]); Adam die door God als eerste ter verantwoording geroepen wordt nadat eerst Eva en vervolgens Adam van de vrucht van de boom gegeten heeft (Gen. 3; vergelijk ook de rol die de apostel Paulus geeft aan Adam als hoofdverantwoordelijk in de val van de mens in zonde in Rom. 5:12-14 en 1 Kor. 15:22).

Vloek

En de ontaarding is dan de vloek dat de man de vrouw in feite degradeert van haar bijzondere positie als (net als hijzelf) geschapen naar het beeld van God, naar de positie van de rest van de schepping, zodat hij ook over haar kan heersen. En dat terwijl zij beiden, man en vrouw, en samen, geroepen zijn over die rest van de schepping heerschappij te voeren (Gen. 1:26, 28; waar wel een ander werkwoord gebruikt wordt dan in Gen. 3:16).

Een positief antwoord

Tenslotte: het rapport formuleert wat volgens het oordeel van het deputaatschap de kernvraag is op deze manier (4, 8): is het “op grond van de Bijbel gerechtvaardigd dat vrouwen in de kerk een andere positie innemen dan in de maatschappij?” Ik blijf het een merkwaardige kernvraag vinden: waarom zou je een maatschappij maatgevend maken? En wanneer we de conclusies en aanbevelingen aan het eind van het rapport bereikt hebben, is de vraag ook zo ongeveer overbodig geworden, is mijn indruk.

Je kunt deze kernvraag wat mij betreft met een gerust hart een positief antwoord geven. In Egypte had je priesteressen, en in Mesopotamië ook. Een opvallend detail in de opbouw van de samenleving in het oude Israël is de afwezigheid van priesteressen. Daarmee hebben we op zijn minst een precedent dat vrouwen binnen het volk van God een andere positie hadden dan vrouwen in de omringende cultuur.

Ik ging mijn kennismaking met het rapport in vanuit de overtuiging dat zusters binnen de gemeente van Christus op onderscheiden posities (en ook in betaalde banen) ingezet kunnen worden, maar niet op posities van gemeentebrede prediking en onderwijs, en niet in het ambt van oudste (het ambt van diaken is een ander verhaal). Na bestudering van het rapport en weging van de argumenten heb ik geen reden gevonden mijn overtuiging te moeten herzien.

 

Literatuur

Block, Daniel I. “Marriage and Family in Ancient Israel.” Pages 33–102 in Marriage and Family in the Biblical World. Edited by Ken M. Campbell. Downers Grove, Ill.: InterVarsity, 2003.

—. “‘You Shall Not Covet Your Neighbor’s Wife’: A Study in Deuteronomic Domestic Ideology.” Journal of the Evangelical Theological Society 53.3 (2010): 449–74. [online]

Elliott, John H. “Jesus Was Not an Egalitarian. A Critique of an Anachronistic and Idealist Theory.” Biblical Theology Bulletin 32 (2002): 75–91. [online]

Meyers, Carol L. “Was Ancient Israel a Patriarchal Society?” Journal of Biblical Literature 33.1 (2014): 8–27. [online]

Roberts, Christopher Chenault. Creation and Covenant: The Significance of Sexual Difference in the Moral Theology of Marriage. New York: Clark, 2007.

9 gedachtes over “Een cultuurbepaalde lijn — of is er meer aan de hand? Paulus, Petrus en Jezus over de positie van vrouwen in het deputatenrapport Samen dienen

    • Mooie link Ineke 🙂

      Het is opvallend dat noch Mozes noch Jezus zelf een (s)preek of leerverbod afgeeft voor de zusters.
      Het (s)preek of leerverbod dat alleen Paulus afgeeft voor de zusters is mogelijk gebaseerd op:
      .1 het feit dat meisjes te weinig opgeleid werden in de TeNaCh en daardoor als vrouwen te weinig onderlegd waren geworden in de Schriften (ze moesten immers het huishoudelijk werk, de akker en de kinderen doen). Dit itt de jongens die op jonge leeftijd al Bar Mitswa werden; wel opgeleid en dus kennis van de Schriften. De mannen kunnen dus wel met wijsheid (s)preken in de samenkomsten. En daar gaat het om.
      .2 de gang van zaken in de synagoge; vrouwen en meisjes zaten gescheiden van de mannen en jongens. Wil je als vrouw een broeder of jouw eigen man iets zeggen dan moet je schreeuwen met chaos als gevolg. Tegen een dergelijke chaos verzet Paulus zich uitdrukkelijk.
      .3 het feit dat de zusters communicatief sterker onderlegd zijn dan de (soms ijzige) mannen. Echter wanneer die veelvuldige communicatie ontaardt in kletspraatjes en achterklap dan moeten ze daar onmiddellijk mee stoppen en eea gewoon thuis bespreken

      Bovendien waren de zusters van 60 en ouder vanwege hun leeftijd vrijgesteld van zorgtaken. Deze zusters deden volop mee in het (bestuur van) het gemeenteleven. Dus, heb geen zorgtaken thuis (of in de buurt of familie) zet je dan volop in voor de gemeente, dat is het gezin van Jezus 🙂

      Sterkte gewenst met het uitdragen van de Woorden van onze goede God.

      Met vriendelijke groet,

      Klaas Oordt
      Mooi RHEEZE a/d Vecht bij Hardenberg

      Like

      • Deze informatie vanuit de ‘Joodse’ achtergrond is nauwelijks te controleren, en voegt dus aan de discussie niets toe.
        Reactie toegelaten als ‘mogelijk interessant’.

        Like

  1. Hoe passen zowel symmetrieën als asymmetrieën samen in een melodie of muziekstuk?
    Wie recht wil doen aan een teruggevonden oude compositie, zal afwegen of muzieklijnen bedoeld zijn als bovenstem of basso continuo, als ondertoon of antifoon. Of als centrale thematiek. Of als …
    De stemming of toonzetting die ik hierboven hoor, roept, althans bij mij, dergelijke overwegingen op, en mogelijk ook bij anderen herkenning van akkoorden, of wellicht zelfs zielsverwantschap.
    Wijsheid en verbondenheid zijn kostbare gaven in een tijd van assertiviteit en onverbondenheid.

    Like

  2. Wolter, hartelijk dank voor deze twee evenwichtige artikelen, die wat mij betreft een adequate reactie op het deputatenrapport geven. Dit rapport geeft net als het rapport van drie jaar geleden onvoldoende handvatten voor het door velen gewenste synodebesluit.

    Like

  3. Bedankt voor deze duidelijke inbreng.
    Na jaren in het buitenland gewoond te hebben zijn we weer terug in de GKv, en we zijn bezorgd over de ontwikkelingen hier.
    Ik heb mijn commentaar op het rapport “Samen Dienen M/V” gepubliceerd op http://depoarte.org/?page_id=832 . De analyse van D.A. Carson (samengevat in genoemd rapport) vond ik ook een goede bijdrage.
    Wat moeten we nu? Ik denk dat we via een soort “Gospel Coalition Nederland” (organisatie, website, conferenties) een positief, orthodox, en samenbindend communicatie- en organisatieappraat kunnen creëren. (Op het ogenblik lijkt het dat er hier en daar slechts iemand is als een roepende in de woestijn.) Ik denk dat het belangrijk is om een houvast te geven aan broeders en zusters in christelijke kerken in Nederland die niet traditionalistisch willen zijn, maar ook niet los willen laten aan de solas van de reformatie. Ik bid dat we samen een doorgaande, gezonde, opbouwende kracht mogen zijn- en niet alleen onze kritische stem laten horen als we op het punt van belangrijke beslissingen komen.
    Aize Smit, Drachten

    Like

    • N.a.v. “organisatie, website, conferenties”. Mij dunkt dat christenen zich primair verenigen rond Jezus Christus en die gekruisigd, rond de kern van het evangelie.
      Andere opbouwende initiatieven – prima. Maar liever niet als secundaire verenigende kernen (al dan niet met agressieve ondertoon jegens andersdenkende brs & zrs). Is Christus’ Lichaam niet al teveel verscheurd?

      Like

  4. hieronder een notitie die ik voor mezelf maakte over dit onderwerp. wellicht kan hij nuttig zijn in de discussie
    paul voorberg

    DE VROUW IN HET AMBT
    Nadenken over dit onderwerp is gestimuleerd door een PEP-cursus hermeneutiek . Met een groepje van vier man bestudeerden wij dit onderwerp. Eveneens door Deputaten M-V en ambt 2008-2011. Zij belegden informatie-avonden over dit onderwerp en spoorden aan de gemeenten te stimuleren over dit onderwerp echt te gaan denken. Dat bracht mij er toe een preek te houden over de positie van de vrouw voor de zondeval. De voorstudie zette me aan het denken over de vraag vrouw-en-ambt, op een manier als ik nog niet eerder had gedaan

    De vrouw voor de zondeval
    Je kunt ook zeggen: de vrouw zoals ze door God is bedoeld. In het eerste scheppingsverhaal (Genesis 1) schept God de Heer mannelijk en vrouwelijk. Dat betekent m.i. dat ook al schiep God eerst alleen een man ook de mensheid uit twee seksen zou bestaan net zoals de dieren (en in tegenstelling tot de engelen). Die mens (mannelijk èn vrouwelijk, n.b. het meervoud ‘hen’ in 1:28) krijgt de opdracht vruchtbaar te zijn, de aarde te bevolken en haar onder hun gezag te brengen, te heersen over vissen, vogels en alle kruipende dieren (27v.). Dit geschiedt op de 6e dag, zo te lezen (31), direct na de schepping. Ik neem aan dat alleen de man er nog maar is, toch wordt dit algemene cultuurmandaat aan de mens, mannelijk en vrouwelijk gegeven. De mens Adam is met die opdracht begonnen (naamgeving van de dieren) en ontdekte dat hij dat alleen niet zou redden. Hij vond geen hulp die bij hem paste (2:20), zoals de Heer hem welbewust liet ontdekken (2:18). Hij ontvangt in Eva de hulp die bij hem paste. Een helper, waarvoor en waarbij? Er is tot nu toe maar een opdracht aan de mens verstrekt (die van de 6e dag), de ‘cultuuropdracht’. Om die uit te voeren heeft Adam een helper nodig. Het woord helper betekent (logischerwijze) dat je iemand gaat helpen die al met iets bezig is. Hij krijgt het niet klaar, hij heeft hulp nodig. Adam is als eerste geschapen. Hij pakt gehoorzaam de grote opdracht op (in de naamgeving, misschien deed hij nog wel meer, maar dat wordt niet vermeld). Hij redt het niet alleen en krijgt zijn helper. Een helper (M/V) is altijd iemand die op de tweede plaats staat: iemand anders is ergens mee bezig en de helper komt er bij de werker van dienst te zijn bij zijn al reeds aangevangen taak. De eerste persoon staat op de eerste plaats, de ander komt er bij en helpt degene die aan het werk is om het werk te voltooien. In die zin is de Heer God ook vaak een helper van de mens. Een simpel voorbeeld: bijv. ps 41:1 (berijmd): de Heer is hem een groot en helpend God op ’t bed der bitterheid. De dichter lijdt op het bed der bitterheid, hij moet bijv. een ziekte in geloof dragen. Hij is daar mee bezig, maar heeft hulp nodig. God geeft die hulp en de dichter redt het. Daarmee is dus een helper altijd van toegevoegde waarde, in volgorde is hij nummer twee. Als hij de taak overneemt is hij geen goed helper, dan is hij überhaupt geen helper meer. Het voorbeeld van God als helper kan duidelijk maken dat de helper wel de nummer twee is, maar niet ondergeschikt hoeft te zijn. De helper is in volgorde nummer twee 2, is rangorde hoeft dat niet zo te zijn. Zo is God vaak de helper van de mens.

    Met die gedachte in het achterhoofd ging ik nadenken over vrouw en ambt. Genesis leert me dat de man zijn cultuuropdracht niet kan uitvoeren zonder de hulp van de vrouw. Dan zie je dus een mensheid voor je waarin mannen (voorop lopend en alle (deel)taken oppakkend) en vrouwen (hen daarbij als onmisbare helpers ter zijde staand) in goede harmonie Gods schepping verder ontwikkelen. Als een onderdeel van die cultuuropdracht door mannen alléén zou moeten worden gedaan, is dat natuurlijk niet uit te sluiten, maar dan moet dat wel nadrukkelijk bepaald worden. Het is goed mogelijk dat op een bepaald terrein mannen alléén bezig zijn, maar steeds is dan de vraag: waarom doe je dat als mannen alleen? Je bent door God zo geschapen dat je een helper nodig hebt, waarom doe je dan deze taak alleen? Daar kan een plausibel antwoord op gegeven worden (bijv. een uitsluitend mannelijke bemensing op een onderzeeboot).
    Veel verder ga je als je stelt dat een bepaalde taak alleen door mannen uitgevoerd mag worden. Dan is het geen praktische zaak meer (zoals op de onderzeeër) maar een principiële. Zit dat zo met onderwijzen en regeren in de kerk? Bepaalt God echt dat vrouwen op dat gebied geen helper van de man mogen zijn? Dan is dat een uitzondering op de algemene cultuuropdracht van Genesis 1, dat kan natuurlijk, maar dan is daar wel ‘hard’ bijbelbewijs voor nodig.

    Twee teksten lijken dat zo te stellen.
    1. 1 Corinthiërs 14. Vers 34v.: vrouwen moeten gedurende uw samenkomsten zwijgen. Ze mogen niet spreken, maar moeten ondergeschikt blijven, zoals ook in de wet staat. Die tekst is moeilijk in overeenstemming te brengen met 1 Corinthiërs 11. Daar wordt aan de vrouw wel de beperking van een hoofdbedekking opgelegd, maar mag ze vrij uit bidden en profeteren. 1 Corinthiërs 14 legt de vrouwen nu een ingrijpende beperking op: niet (hardop) bidden en profeteren in de samenkomsten, maar zwijgen. Ook roept die beperking spanning op met 14:26 waar vrij-uit iedereen in de samenkomst iets mag bijdragen, waaronder ook een onderwijzing, een openbaring.
    Het argument voor de vrouwen om te zwijgen is de geboden “onderschikking” (die in de Schrift een onderschikking onder de man is). Dat leert dus de wet. Een rechtstreekse bron in het Oude Testament is niet te vinden, het kan dus een verwijzing naar de scheppingsorde zijn. Eventuele problemen voor de vrouw met het zwijgen wordt opgelost door de bepaling dat ze thuis aan hun man opheldering moeten vragen. Dat leidt tot de gedachte (in veel commentaren) dat haar het spreken hier verboden wordt omdat het het beoordelen van de profetie van de eigen man betreft (cf. 29). Het past niet bij de rol van de vrouw om publiek haar man te beoordelen. Dat doet een helper niet. De argumenten voor deze gedachte zijn: het gebruik van het woord ‘ondergeschikt’ (dat op de positie van de vrouw in het huwelijk wijst) en het benadrukte ‘hun’ man (dat dus ook naar het huwelijk verwijst) en het woord thuis.
    De oplossing dat 1 Corinthiërs 14 in vergelijking met 1 Corinthiërs 11 zou leren dat de vrouw alleen in de samenkomsten moet zwijgen voldoet niet omdat dit niet past bij de ruimte die 1 Corinthiërs 11 en 14:26 de vrouw geeft.

    Is 1 Corinthiërs 14:34v. een duidelijke bepaling dat de man het op het gebied van het spreken in de samenkomsten alléén moet doen? Dat dus het spreken in de samenkomsten een uitzondering is op de algemene bepaling van de schepping dat de man het niet alleen kan en dat hij een vrouwelijke helper nodig heeft? Als er een terrein van het leven zou zijn waarop de hulp van de vrouw moet worden uitgesloten moet daar wel een heldere bepaling aan ten grondslag liggen, gezien het bepaalde in Genesis 1. Alszodanig kan 1 Corinthiërs 14 niet functioneren omdat vers 34v. te veel onduidelijkheid laat bestaan over de rol van de vrouw, als we die vergelijken met wat we lezen in 14:26 en hoofdstuk 11.

    2. 1 Timoteüs 2. Het gaat niet altijd goed in de samenkomsten volgens 1 Timoteüs 2. Er moet uitdrukkelijk bepaald worden dat je niet als man met wrok en onenigheid je handen moet heffen (8). Ook zijn er vrouwen die zo willen opvallen door uiterlijk vertoon dat de apostel dat met zoveel woorden moet verbieden (9v.). Laat de vrouw eerder bescheiden zijn. Dat past ook bij haar rol sinds de schepping: ze is de helper van de man en moet hem niet de loef afsteken door alle aandacht voor zich op te eisen, door uiterlijke opschik.
    In dat verband wordt het de vrouwen verboden te doceren en over de man te heersen. Is dit een uitdrukkelijk verbod aan vrouwen om haar rol te spelen op het terrein van de kerkregering (het gaat hier over ‘samenkomsten’, vers 8) en het onderwijzen in de kerk? Tegen de achtergrond van het paradijsverhaal is het niet waarschijnlijk dat de man het op welk levensterrein dan ook, zonder de hulp van de vrouw zal moeten doen. Het paradijsgebod is zo breed als de hele wereldsamenleving. Zal er dan toch een gebied zijn in het leven waar vrouwen wel worden uitgesloten? Zoals eerder gezegd, dan moet God daar wel ons heel uitdrukkelijk op wijzen, want zo’n uitsluiting ligt tegen de achtergrond van Genesis bepaald niet voor de hand. Het kan natuurlijk wel.
    Voldoet 1 Timoteüs 2 aan de gedachte dat het duidelijk vrouwen van een bepaalde taak van de mens in het leven uitsluit? Focussen we eerst op het woord ‘heersen’ (authentein), dan blijkt dat moeiten op te leveren. Het is een woord dat maar een keer in het Nieuwe Testament voorkomt (een hapaks). We moeten de kleur van het woord afleiden uit niet-bijbelse contemporaine literatuur. Daar heeft dit woord de negatieve kleur van willen domineren ten koste van de ander: overheersen. Tegen de achtergrond van de schepping is een vrouw die geen helper wil zijn, maar wil domineren over de man, een onaanvaardbaar verschijnsel. Als we letten op de pretekst, zou het goed kunnen zijn dat de vrouwen zich zo opdoften om de eerste viool te kunnen spelen. Het woord ‘heersen’ kan dus goed die lelijke kleur van ‘verachtend willen domineren’ hebben.
    Vervolgens komt het in het Grieks vaak voor dat twee opeen volgende worden samen één begrip vormen (een hendiadys). Daarbij bepaalt het tweede woord (de kleur van) het eerste. Als dat hier aan de orde is wordt de vrouw niet het doceren an sich verboden, maar het heersend onderwijzen, het dominerend doceren. Zij is n.b. als tweede geschapen en als eerste in zonde gevallen (daar streefde ze de man al voorbij), vers 14, moet zij nu het ‘de man overheersend onderwijzen’ naar zich toe halen? Dat kan de apostel niet toestaan.
    We zijn op zoek naar duidelijke aanwijzingen dat er terreinen van het leven zijn waarop de man het wél alleen moet doen (in tegenstelling tot wat God bepaalde in Genesis 1 en 2). Kan 1 Timoteüs 2 zo’n aanwijzing zijn? Daarvoor is de bepaling te onhelder. Om op deze (ene) bepaling de vrouw van een deelterrein van de cultuuropdracht uit te sluiten gaat te ver.

    Ons uitgangspunt was het begin van de Bijbel. Dat ligt voor de hand omdat je een boek van voor naar achter leest. Het begin van de Bijbel laat ook zien wat God met de mens wilde en hoe Hij het wilde. De zondeval legt over veel een schaduw, maar die is er in Genesis 1 en 2 nog niet. Alle aanleiding om juist dat gedeelte met grote aandacht te lezen: zo heeft God het dus bedoeld en als we het zo proberen in te richten benaderen we Gods bedoeling met zijn wereld, zijn oorspronkelijk plan.
    Als we zo Genesis 1 en 2 lezen op het punt van de verhouding man en vrouw, kunnen we vaststellen dat er sprake is van gelijkwaardigheid en een volgorde: de man begint aan een klus (de cultuuropdracht in de breedste zin van het woord) en de vrouw helpt hem daarbij. We waren op zoek naar eventuele duidelijke, ondubbelzinnige aanwijzingen dat er levensterreinen zijn waarop de vrouw de man niet mag helpen. Twee schriftgedeelten lijken zulke aanwijzingen te geven (1 Corinthiërs 14 en 1 Timoteüs 2) en vrouwen van het onderwijzen en regeren in de kerk uit te sluiten. Nadere exegese van deze twee gedeelten leerde ons dat ze alszodanig niet kunnen functioneren. Ook in het ambtelijk werk van onderwijzen en regeren in de kerk kan de vrouw volop haar rol als helper uitoefenen. Er kunnen redenen van praktische aard zijn om haar van die taken uit te sluiten (denk aan de onderzeeër), maar geen principiële. Als praktische argumenten kunnen gelden: de rust in de kerken in het binnenland, de verhouding met buitenlandse kerken, mannen die op deze terreinen niet met vrouwen kunnen werken e.d.
    Hier is ook een waarschuwing op z’n plaats. God acht het niet goed dat de mens alleen is. Dan geeft Hij de vrouw niet als gezelschapsdame sec, maar als helper. Wat doe je dan als man als je deze gave van God afwijst? Doen we dat niet de facto als kerken door de vrouw van onderwijzen en regeren in de kerk uit te sluiten? Daarop doorgedacht: zou het het kerkelijk leven niet ten goede komen als de vrouw haar taak (gelijkwaardig helper zijn) ook op die terreinen zou uitvoeren? Doen we ons dus niet zelf te kort?

    Conclusie
    Als ik het goed zie moeten we als kerk naar twee zijden front maken
    1. tegen de doorgedraaide emancipatie: Gods Woord leert dat de man voorop gaat, hij is als eerste geschapen en als eerste aan de taak voor de mens begonnen. Hij kreeg de vrouw als (onontbeerlijke) hélper, ze is toegevoegd en helpt de man bij het werk. Ze kan dus niet voorop gaan lopen. Dat wordt authentein…. (1 Timoteüs 2:12)
    2. tegen de uitsluiting van de vrouw uit het ambt. Dan doe je je zelf te kort. God gaf je de vrouw als helper en jij sluit haar uit. Dat kan het werk schaden.
    3. de vrouw kan (en moet) dus haar rol vervullen ook in kerkregering en onderwijzing (prediking). Dat zal het werk op die terreinen ten goede komen. Ze moet daarbij wel de man de voorrang geven en zich tevreden stellen met de tweede plaats in volgorde (cf. Efeziërs 5:22-33, al ziet het daar op het huwelijk, maar zie noot 3).
    4. het zal nog erg ingewikkeld zijn om de vrouw zo haar plaats te geven in de (huidige) ambtelijke structuur van de kerk: onmisbaar als helper, toch tweede in volgorde, gelijkwaardig aan de man. Wellicht is dat niet mogelijk. Dan moeten we het zo maar laten. Deze notitie beoogt niet de praktische toepassing te geven, maar wel bij te dragen aan een principiële bezinning.
    5. deze visie is op exegese gebaseerd, waardoor het hermeneutische debat op dit punt niet gevoerd hoeft te worden om een Bijbelse lijn vast te kunnen stellen.

    Paul Voorberg
    Emmeloord
    10 september 2015/11 april 2017/7 juli 2017

    Like

Plaats een reactie