Ambt M/V: de Bijbel en wij

De gevoeligheid van de vraag of ‘het ambt’ opengesteld kan / moet worden voor vrouwen, ligt vooral in de koppeling aan het Schriftgezag. Als we meegaan in het voorstel om ruimte te geven voor vrouwelijke ambtsdragers, moet je dan constateren dat we het gezag van de bijbel wel met de mond belijden, maar dat we in de praktijk onze eigen gang gaan?

Er is alle reden om het functioneren van de bijbel in het leven van kerk en christenen op allerlei manieren te nuanceren. Je moet kritisch zijn op simpele identificaties waarmee mijn ‘standpunt x’ gelijkgesteld wordt aan ‘de bijbel’ of ‘Gods Woord’. Het is belangrijk om te erkennen dat wij allen in meer of mindere mate delen in het cultureel-maatschappelijk klimaat van vandaag, dat door veel factoren is gevormd. De gevoeligheid voor contrasten tussen ‘toen’ en ‘nu’ is aanleiding om nog eens goed en fris naar de bijbelse gegevens te kijken, en wellicht nieuwe aspecten te ontdekken. De eerlijkheid gebiedt te zeggen: daar zou je zonder de actuele aanleiding niet altijd op gekomen zijn.

En toch: we hebben het ‘tegenover’ van de bijbel nodig om ons eraan te herinneren dat wij niet zomaar vanzelf de wil van God verstaan. Het tegenover van de Schrift komt naar ons toe in alle concreetheid. Lees verder

In de put: Preek over Psalm 88

Je hoeft de dichter van Psalm 88 niet te vertellen wat aanvechting is. Alle vragen, alle klachten, alle twijfels, alle wanhoop die ons kunnen overvallen in ons geloof, staan levensgroot voor je in deze Psalm. Je zou er depressief van worden, als je dat al niet was. Daar zit meteen iets van troost in, als je het moeilijk hebt met je geloof. Als je deze Psalm leest, kun je een gevoel van herkenning krijgen: je staat er tenminste niet alleen voor, hier is iemand die je begrijpt en die hetzelfde meemaakt als jij.

Mijn felste aanvechtingen, daar had de Catechismus het over. Daar hoor je natuurlijk het woord vechten in. Er wordt tegen je gevochten, iemand probeert jou te verslaan, zodat je stopt met geloven. We hoeven niet te raden wie die iemand is die tegen je vecht, dat is Gods grote vijand, de duivel. Ik weet niet of we daar zoveel beeld bij hebben. We weten in ieder geval vaak bij elkaar niet wat je strijd is in het geloof en waar je het moeilijk mee hebt. Er lijkt wel eens een taboe op te rusten, je vertelt elkaar liever over de positieve dingen, over waar je dankbaar voor bent, dan over de onzekerheid, de twijfel, het gevoel dat je kunt hebben dat God er helemaal niet is als je Hem nodig hebt.

Laat je dan door Psalm 88 maar eens helpen, want daar worden die aanvechtingen concreet in beeld gebracht. Het begint met lichamelijke symptomen: mijn ogen zijn dof van ellende. Ogen zijn de spiegel van je ziel. Lees verder

Ambt M/V: hermeneutiek en ambtsleer

In deze blogpost wil ik een paar waarnemingen en gedachten naar voren brengen naar aanleiding van het deputatenrapport ‘M/V en ambt’.

Allereerst iets over de hermeneutiek van het rapport. Het woord ‘hermeneutiek’ ligt wat gevoelig. De afgelopen 20 jaar hebben we als GKv een inhaalslag gemaakt in hermeneutische reflectie: er is geen een-op-een relatie tussen wat de Bijbel zegt en wat wij daarvan verstaan en hoe wij dat in de praktijk brengen. We hebben onze eigen positie als lezer/hoorder scherper in beeld gekregen, en we zijn ons meer bewust geworden van verschillen in tijd, cultuur en beleving. Dat is winst. Toch kan dit hermeneutisch besef wat argwaan oproepen. Als wij de wil van God proberen te verstaan, bijvoorbeeld in de vraag of kerkelijke ambten ook door vrouwen kunnen worden bekleed, dan streven we naar een zorgvuldige exegese van belangrijke bijbelteksten. Op een ander niveau komen hermeneutische overwegingen naar voren:

  • Begrijpen we eigenlijk wel voldoende in welke culturele context de bijbelse uitspraken te plaatsen zijn?
  • Welke invloed heeft de cultuur van toen gehad op verwoording en inhoud in de bijbel?
  • Is in het waardenpatroon van onze huidige cultuur een zinnige vertaling van die teksten van 2000 jaar geleden te geven?
  • Of kunnen we aannemen dat met het voortschrijden van de tijd de wil van God op een andere manier tot ons komt?

Het probleem ontstaat wanneer de twee niveaus van exegese en hermeneutiek tegenover elkaar komen te staan. “Paulus kan het wel zeggen [exegese], maar wij kunnen daar in onze context niets meer mee [hermeneutiek].” In die brute vorm staat het ‘cultuur-argument’ op gespannen voet met de aanvaarding van het gezag van de bijbel, waaraan gereformeerde kerken tot op de dag van vandaag willen vasthouden.

Waar ik blij mee ben in het rapport van de deputaten ‘M/V en ambt’, is dat zij niet op zo’n kale, formele manier met hermeneutiek omgaan. Wat zij bieden is een inhoudelijk gevuld leesvoorstel voor het geheel van bijbelse lijnen over de verhouding van mannen en vrouwen. Ik doe een poging om de hermeneutische werkwijze van het rapport in een aantal punten te typeren:

  • De deputaten maken structureel onderscheid tussen beschrijvende (descriptieve) en voorschrijvende (prescriptieve) passages (p. 12 van het rapport). Dat werkt naar twee kanten: aan de ene kant moeten we niet in de valkuil trappen om aan een beschrijvende opmerking een voor altijd geldend voorschrift te willen ontlenen; aan de andere kant heeft de beschrijving van de ruimte die vrouwen krijgen in de dienst van het Evangelie een eigen gewicht naast teksten die een voorschrijvend karakter hebben.
  • Het gevarieerde beeld van wat de bijbel zegt over mannen en vrouwen wordt geclusterd in een aantal lagen (p. 11 en 12 van het rapport):
    Laag I Schepping,
    Laag II Gebroken realiteit,
    Laag III Bevrijdend herstel,
    Laag IV Fundamentele vernieuwing.
  • Bij de inhoudelijke duiding van de gegevens valt op dat fundamenteel wordt uitgegaan van de gelijkheid van mannen en vrouwen vanuit de schepping (p. 8 en 9 van het rapport). Dit stuurt de bijbellezing in die zin, dat elementen waaruit ongelijkheid blijkt, vrij snel gesorteerd worden in de tweede laag “Gebroken realiteit”.
  • Een nadere aanscherping wordt gegeven in het aanwijzen van een ‘genadige lijn’ naast een ‘cultuurbepaalde lijn’ (p. 15 van het rapport). Het valt mij op dat dit onderscheid niet alleen in de taxatie een rol speelt. Ook in de beschrijving van feitelijke situaties in Oude en Nieuwe Testament wordt bij de elementen van de ‘cultuurbepaalde lijn’ het beeld soms wel erg negatief gemaakt. Bereidt dit contrast in de beschrijving voor op een keuze tussen beide lijnen?
  • Bij bijbelgedeeltes die op een bepaalde manier verschil in positie en verantwoordelijkheid van mannen en vrouwen suggereren, hanteert het rapport een onderscheid tussen boodschap en inkleding (zonder dit uitdrukkelijk zo te noemen). Bijvoorbeeld op p. 25: “Voor het onderscheid tussen man en vrouw had Paulus in zijn brieven symbolen als de hoofdbedekking en de positie in de samenkomsten. Het is aan ons om in onze huidige wijze van samenleven zelf vorm te geven aan zowel het vooropgaan door mannen als het bescheiden meewerken in Gods Koninkrijk door vrouwen.”

Door deze ‘gevulde hermeneutiek’ brengen de deputaten het gesprek inhoudelijk een stap verder. Ik signaleer kort twee theologische knelpunten:

  1. Door vanaf het begin uit te gaan van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, ontnemen de deputaten zich de mogelijkheid om een functionerend onderscheid tussen gelijkwaardigheid en eigenheid te hanteren. Gelijkwaardigheid is geforceerd tot gelijkheid – wat echt iets anders is – en in dat kader lukt het eigenlijk niet meer om aan de eigenheid van mannen en vrouwen goed profiel te geven. In die zin komt het wat vreemd over als in de voorgestelde besluitteksten onder nr. 10 gevraagd wordt “de kerken op te roepen zich nader te bezinnen op de vraag hoe recht kan worden gedaan aan de verschillen tussen man en vrouw in de vervulling van taken en ambten in de gemeente en daardoor recht te doen aan de apostolische waarschuwingen tegen overheersing (1 Pet. 3:7; 1 Tim. 2:8-15; 1 Kor. 14:34-35).” Het was toch juist de taak van dit deputaatschap om over de aard van dat verschil en over de consequenties voor de vervulling van de ambten na te denken? Als de deputaten tot de conclusie komen dat een eventueel verschil tussen mannen en vrouwen (dat volgens hen niet eenduidig aan te wijzen is) niet structureel doorvertaald moet worden in onderscheiden taken of posities, dan lijkt deze laatste oproep een doekje voor het bloeden.
  2. Bij het aanwijzen van een cultuurbepaalde lijn in de bijbel gebruiken de deputaten impliciet de notie van ‘accommodatie’: in zijn openbaring past God zich aan gebruikelijke voorstellingen en gewoonten aan. Nu is wat mij betreft dat hele begrip accommodatie een theologische noodgreep die weinig oplost. Wat bij de bespreking van ‘cultuurbepaalde’ teksten buiten beeld blijft, is de vraag of wanneer Jezus of de apostelen aansluiten bij een cultureel gebruikelijk patroon, dit moet worden geduid als accommodatie, als een concessie aan de vrouwonvriendelijke cultuur van toen, of dat het ook een affirmatie en onderstreping bedoeld kan zijn. Die vraag klemt te meer wanneer bijvoorbeeld Paulus zijn aanwijzingen van verstrekkende verwijzingen naar schepping en wet voorziet.
    Bovendien schuilt er in het gebruik van accommodatie als uitlegkundige procedé het risico, dat er dingen in de bijbel blijken te staan die er wat ons betreft eigenlijk niet in zouden moeten staan. Het deputatenrapport is hierin niet uitgesproken. Toch proef ik soms een tendens om de bijbelschrijvers toch licht te diskwalificeren, wanneer zij achterblijven ten opzichte van de ‘genadige lijn’. Bij gevolg komen we dan moeilijk te zitten met de invulling van het Schriftgezag. Ik weet niet of het mogelijk is om van deze nood die we rond het concrete thema ervaren, een theologische deugd te maken.

Het tweede grote onderdeel van het rapport betreft de ambtsleer. In dat hoofdstuk kom ik een aantal interessante opties tegen die zouden kunnen helpen om de inzet van vrouwen in de kerk op een goede manier aan de ambten te verbinden.

Het ene punt is dat gewezen wordt op de collectiviteit of gezamenlijkheid van het ambt. Aandacht voor het gezamenlijk dragen van verantwoordelijkheid zou de druk kunnen verminderen op de vraag of een individuele ambtsdrager een positie van gezag en leidinggeven bekleedt, en of dat dan ook voor vrouwen zou kunnen gelden. Wanneer het leidinggeven is ingebed in het collectief, kan wellicht op een bepaalde manier een onderscheid tussen mannen en vrouwen daarin bewaard blijven. Toch geloof ik niet dat dit accent op gezamenlijkheid voldoende soelaas gaat bieden. Aan de ene kant niet, omdat er mijns inziens vanuit het Nieuwe Testament ook een element van persoonlijke aanstelling en verantwoording is voor elke ambtsdrager (bijvoorbeeld in Hebreeën 13:17, vergelijk ook Ezechiël 3:16-21 en 33:7-9). Dat verdwijnt niet in de collectiviteit. Aan de andere kant verwacht ik dat in de praktijk het laten dienen van vrouwen in de ambten binnen het huidige patroon geen onderscheid meer zal laten zien in de wijze waarop vrouwen dit ten opzichte van mannen invullen. Elk zal dan in leidinggeven en gezag uitoefenen een gelijk aandeel leveren. Het collectieve is dan alleen cosmetisch.

Het tweede interessante punt zie ik in de figuur van profetie. Uit het Nieuwe Testament kan worden aangetoond dat profetessen en profeten samen optrokken in het doorgeven van Gods boodschap voor de gemeente. Om even wat stippellijntjes te trekken: zou het mogelijk zijn om de vrouwelijke profeet als een charismatische en vrije figuur, als spreker namens God, in ons kerkelijk leven een plek te geven? Dus wel vrouwelijke predikers, maar niet verbonden aan de structuur van leidinggeven en oudsten?

De hoofdlijn van het gedeelte over de ambten ligt in de weg die de deputaten schetsen van persoonlijke gave en roeping naar externe bevestiging en legitimatie. Als ik het goed proef, zit daar een belangrijke behoefte van vrouwelijke kerkleden en theologen: erkenning vinden voor wat jij met jouw van de Geest ontvangen gaven kunt inbrengen in de kerk. Niet alleen het uitvoerende en beleidsvoorbereidende werk doen, maar ook met uitdrukkelijke aanstelling en zegen daarvoor een zichtbare plek krijgen. Die behoefte wil ik graag honoreren. Het is echter de vraag of je daarvoor de ambtsleer moet gebruiken.

Wat ik in het betoog van de deputaten mis, is een typering van de inhoudelijke componenten en taken van ambtsdragers die op grond van de aanstelling door Christus gezag verlenen aan hun optreden. Dat een ouderling gezag heeft en leiding geeft, is niet omdat hij een zwart of paars jasje aanheeft, maar omdat hij je met het woord van God komt aansporen, troosten en corrigeren, omdat hij erop toeziet dat alles in vrede en met goede orde toegaat. Ik weet: de ambten zoals wij ze kennen zijn historisch gegroeid, en zijn niet een-op-een tot de Nieuwtestamentische gemeente te herleiden. Toch geloof ik dat in de contingente en historisch bepaalde keuzes van de kerk onderliggende principes zijn uitgekristalliseerd die je niet zomaar van die vormgeving kunt losmaken. Om te waarborgen wat Christus door de dienst van mensen aan de gemeente wil geven, heb je bepaalde functies en structuren nodig. Door zo zwaar in te zetten op de kant van persoonlijk charisma en persoonlijke roeping, en daar tegelijk aan de andere kant de formele bevestiging en volmacht aan te koppelen, creëert het rapport mijns inziens een tegenstrijdigheid die aan de inhoudelijke kern van de ambten voorbijgaat.

Daarmee koppel ik terug naar het eerste stuk van mijn verhaal over de hermeneutiek van het rapport. Ik vraag aandacht voor het belang van het “tussenliggende argument”. Welke extra overweging heb je nodig om van bijvoorbeeld een tekst in 1 Korinte 14 te komen tot een conclusie over ‘de vrouw in het ambt’?

Naar mijn waarneming vertoont het deputatenrapport in beide hoofddelen een lacune waardoor het ‘tussenliggende argument’ achterwege blijft. In de ambtsleer wordt het inhoudelijk gezaghebbende van het optreden van ambtsdragers niet gethematiseerd. Parallel daaraan worden in de uitleg van toegespitste teksten als Efeze 5, 1 Timoteüs 2 en 1 Korinte 14 de noties die invulling geven aan onderscheid in taak en positie van mannen en vrouwen geproblematiseerd of geminimaliseerd, en spelen de diepere overwegingen die de apostel daarbij aandraagt (de wet, de schepping) geen positieve rol. Dat zijn de tussenliggende argumenten die wegvallen, en wat je dan overhoudt is een tamelijk kale constatering van: “het mag misschien wel niet van Paulus, maar eigenlijk weten we niet wát er niet mag en waarom.” Op deze manier maken we het onszelf wel heel moeilijk om in ons huidige culturele klimaat in lijn met Paulus te blijven.

Tenslotte verbaas ik mij over de manier waarop in de voorgestelde besluitteksten aan het eind van het rapport de tekst Handelingen 2:17-18 naar voren komt (p. 69 van het rapport): het fragment uit de Pinkstertoespraak van Petrus waarin hij Joël 3 aanhaalt met o.a. deze woorden “uw zonen en dochters zullen profeteren”. Deze tekst wordt in het rapport niet uitgelegd. Hij lijkt te functioneren los van de context van die speciale Pinksterdag, waarbij allen zó door de Geest zijn aangestoken dat ze in alle talen Gods grote daden verkondigen. De vraag wordt niet gesteld hoe het kan dat dezelfde apostelen die eerst zo uitbundig over de gave van de Geest spraken toch later in hun brieven met concretiserende aanwijzingen komen die haaks lijken te staan op de vermeende gelijkheid van zonen en dochters. Als uiteindelijk deze bijbeltekst de dragende grond voor de voorgestelde besluiten moet zijn, geloof ik dat er nog huiswerk te doen is. Mij overtuigt deze verwijzing in ieder geval niet.

Zorgeloos leven

Afgelopen zondag, 6 november,  was ik weer even terug in mijn oude gemeente “Het Kruispunt” in Pijnacker-Nootdorp. Daarvoor maakte ik een preek in verband met de Amerikaanse verkiezingsstrijd. Het bijbelgedeelte is Jesaja 32.

Hier komt de preek:

Het is maar goed dat wij niet in Amerika wonen. Over twee dagen zijn de presidentsverkiezingen, en al maandenlang gaat het bijna nergens anders over: Hillary Clinton of Donald Trump? Over en weer bestoken ze elkaar met beledigingen, woeste plannen en vuile streken. Je wordt er niet vrolijk van: een zakenman die vooral zichzelf erg geslaagd vindt, of een vrouw met een lange politieke carrière waarin ze altijd wat achter lijkt te houden. Voor Amerikaanse christenen is het een onmogelijke keuze. Clinton steunt abortus, Trump is er trots op dat hij alle geboden van God aan z’n laars lapt. Wie moet je kiezen? Wees maar blij dat je niet in de VS woont.
Toch komen we er niet zo makkelijk vanaf. Ook in Nederland zijn er volgend jaar verkiezingen. Het gaat er gelukkig niet zo ruig aan toe als in Amerika, maar ook wij kennen de vuile spelletjes, de retoriek die niet om feiten en waarheid geeft, partijen die denken groot te worden door angst en haat aan te wakkeren. Wat moet er van ons land worden? Zal Geert Wilders aan de macht komen? Hoe stel je je als christen op in politieke discussies, en nog belangrijker: wat kun je doen om iets goeds te betekenen voor de maatschappij?
Vandaag wil de profetie van Jesaja ons helpen om daar een lijn in te vinden. Jesaja komt met zijn boodschap dwars door het politieke geweld van zijn tijd heen. Lees verder

Ambt M/V: het eindspel

De kogel lijkt door de kerk: het deputaatschap dat voor de komende synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) studie moest maken van de vraag of en hoe vrouwen in de ambten kunnen dienen, komt met een duidelijke conclusie, namelijk “dat er ruimte moet zijn voor mannen én vrouwen om te kunnen dienen in het ambt van predikant, ouderling en diaken.” Via een interview in het ND geven de deputaten alvast hun belangrijkste argumenten door. Het complete rapport is te vinden op de officiële website van de GKv.

Als de synode op basis van dit rapport een besluit neemt, komt er een einde aan een kerkbrede discussie die minstens vanaf 2005 loopt. In de komende tijd wil ik op een aantal elementen uit de discussie over “vrouw in het ambt” ingaan.

Voor dit moment vind ik het belangrijk om vast te stellen, dat de discussie in de voorbije 10 jaar grondig is omgeslagen. Lees verder

Met twee woorden spreken

Op 13 oktober wijdde de PThU vestiging Groningen een mini-symposium aan een belangrijk boek van Rinse Reeling Brouwer: Karl Barth and Post-Reformation Orthodoxy (Ashgate 2015). Vanuit m’n eigen onderzoek naar Barth en de gereformeerde scholastiek op het terrein van de Godsleer hield ik dit verhaal:

“Met twee woorden spreken: de ‘eenvoud Gods’ en de genadige verkiezing tussen gereformeerde orthodoxie en Karl Barth”

Bijdrage aan mini-symposium “Barth en de Orthodoxie van na de Reformatie”, PThU Groningen 13 oktober 2016

Met het boek dat we vanmiddag bespreken, legt Rinse Reeling Brouwer een belangrijk stuk onderzoek op tafel. In het verleden stonden “Karl Barth” en “Gereformeerde onderzoek” vaak als twee werelden los van elkaar. Nu worden die twee constructief met elkaar in gesprek gebracht.

Daarmee volgen we de grote meester zelf: Karl Barth wilde serieus in gesprek met de protestants-orthodoxe traditie van theologie, zeg maar de tijd tussen 1550 en 1800. Reeling Brouwer tekent heel nauwkeurig de intensieve omgang van Barth met de scholastieke ‘vaderen’. Tegelijk blijft Barth denken in zijn eigen, dialectische kader. Methodisch levert dat de vraag op, waardoor je je in de beschrijving laat leiden: Barths eigen wijze van receptie van scholastieke auteurs, of het denken van die auteurs zelf? De kans is groot dat ze tegen elkaar in denken, of minstens langs elkaar heen. Lees verder

Op leven en dood

Korte preek bij een Avondmaalsdienst. Naar aanleiding van Handelingen 20:1-12.

Ze voelden zich gesterkt, de mensen in Troas. Buitengewoon bemoedigd, staat er eigenlijk. Een mooie afloop van dat korte verhaaltje over Paulus. We hopen dat vanmorgen natuurlijk ook voor onszelf. Dat we gesterkt worden en bemoedigd. Daar kom je voor naar de kerk, bijtanken voor je geloof. Met een Avondmaalsdienst kun je dat extra hebben: je krijgt te eten en te drinken. Niet zozeer voor je lichaam, want het zijn maar kleine hapjes en slokjes, maar voor je ziel. Dat je van binnen de kracht van God mag ervaren, dat je voeding krijgt waar je geloof van groeit en waardoor je sterker in je schoenen staat. Gaan wij straks de kerk uit net zoals die mensen in Troas: buitengewoon bemoedigd?

*

Er was ook nogal wat gebeurd. Een jongeman uit hun midden was dood neergevallen, en even later leefde hij weer. Wat gaat er dan allemaal door je heen! Je wereld staat op z’n kop, eerst van het plotselinge verdriet, en dan nog een keer van de enorme vreugde, de opluchting: Hij leeft weer! Moet je je voorstellen, als er in ons midden zoiets geweldigs zou gebeuren. Wat een opsteker zou dat zijn voor je geloof. Daar kun je een hele poos op teren. Lees verder

Buiten haakjes

In gesprekken over “geloof en wetenschap” wordt soms gezegd dat
volgens het geldende wetenschapsideaal “God buiten haakjes geplaatst moet worden”.

Als ik terugdenk aan de wiskunde die ik op het VWO geleerd heb,
vind ik dat wat verwarrend.factor-trinomials-step-9

Als je een factor buiten haakjes plaatst, bepaalt die factor bij wijze van vermenigvuldiging de hele vergelijking.

En zo is het maar net: God bepaalt de hele werkelijkheid.

Maar zou men dat er echt mee bedoelen?

Alvin Plantinga en de theologie

Op 7 oktober werd in Kampen een nieuw boek van Alvin Plantinga gepresenteerd in Nederlandse vertaling: “Kennis en geloof” (uitg. Brevier, Kampen). Bij die gelegenheid organiseerde AKZ+ in samenwerking met enkele andere instanties een studiemiddag waarin de betekenis van Plantinga’s werk voor filosofie, theologie en kerk werd belicht. Een beknopt verslag van de studiemiddag staat in het Reformatorisch Dagblad.

Als derde in het rijtje sprekers mocht ik mijn bijdrage leveren. Hieronder kun je meelezen:

Het belang van Plantinga’s denken voor de theologie

De titel voor mijn bijdrage vanmiddag heb ik niet zelf bedacht. Dat geeft mij de kans om er eerst even een eigen draai aan te geven. Wat is het belang van Alvin Plantinga’s denken voor de theologie? Die vraag wil ik om te beginnen omkeren: Wat is het belang van de theologie voor Plantinga’s denken?

Daar zit voor mij een van de verrassingen van het boekje dat we vandaag ten doop houden. In eerdere periodes ben ik wel eens met Plantinga bezig geweest. 220px-alvinplantingaIk had daaraan de indruk overgehouden dat hij op een nogal formele manier ruimte creëert voor het goed recht van religieus, christelijk geloof. Heel belangrijk natuurlijk, een epistemologie die probeert de ban van het ‘funderingsdenken’ te breken. Maar blijft het niet een wat kaal verhaal, met geloof als ‘properly basic’? Het geloof mag er zijn zonder expliciet bewijs, net zoals ik mag stellen dat ik een appelboom voor m’n raam zie om geen andere reden dan dàt ik een boom zie.

Ook dit nieuwe boek begint op die manier. Wat is kennis, en onder welke voorwaarden is kennis gewaarborgd? Vanaf hoofdstuk 3 van het boekje “Kennis en geloof” komt een heel stuk theologie binnen, en ik ben er steeds meer van overtuigd geraakt dat dit wezenlijk is voor Plantinga’s filosofische benadering. Lees verder

Trinitarische renaissance?

De laatste 30 jaar kent de theologie een opleving van aandacht voor de leer van de Drie-eenheid. Geïnspireerd door grote theologen als Karl Barth, Karl Rahner, John Zizioulas en Colin Gunton ontwikkelden hele generaties theologen uit verschillende denominaties een nieuwe trend in de triniteitsleer. Kenmerkend is een grote nadruk op de relaties in God: Vader, Zoon en Geest worden in deze ‘sociale’ triniteitsleer meestal gezien als drie min of meer individuele personen die in een intieme gemeenschap van liefde (‘perichorese’) samenzijn. Vaak wordt de lijn ook doorgetrokken naar ons: als open gemeenschap van liefde is God er op uit om ook mensen in deze gemeenschap binnen te brengen. De ‘sociale’ triniteitsleer kan zo als model en bron voor menselijke relaties worden gebruikt.

Vaak beroepen theologen binnen de ‘trinitarische renaissance’ zich op de bijdragen van de ‘Cappadocische Vaders’: Basilius van Caesarea, Gregorius van Nazianze, en Gregorius van Nyssa. Hun ‘Oosterse’ concept van God zou meer ruimte laten voor verscheidenheid en voor het dynamische werk van de Geest, terwijl de ‘Westerse’ theologie vanwege de nadruk op de wezenlijke eenheid van God leidt tot een op Christus gefixeerde, meer statische spiritualiteit. Vooral kerkvader Augustinus moet het in deze analyses vaak ontgelden.

Stephen R. Holmes, docent Systematische Theologie aan de Divinity School (St. Mary’s College) in St. Andrews, schreef in 2012 het boek The Holy Trinity: Understanding God’s Life (Paternoster / IVP): goodreads.com/the-holy-trinity. Hierin bespreekt hij de historische reconstructie van de triniteitsleer zoals in de ‘Trinitarian revival’ gangbaar is geworden. Op de laatste bladzijde (p. 200) komt Holmes tot een opmerkelijke conclusie t.a.v. de vraag: wat heeft deze ‘trinitarische renaissance’ ons opgeleverd?

Hier volgt in een lang citaat zijn antwoord:

We returned to the Scriptures, but we chose (with Tertullian’s Praxeas, Noetus of Smyrna, and Samuel Clarke) to focus exclusively on the New Testament texts, instead of listening to the whole of Scripture with Tertullian, Hippolytus, and Daniel Waterland. We thought about God’s relationship with the creation in the economy, but we chose (with the Valentinians, Arius, and Hegel) to believe that the Son must be the mode of mediation of the Father’s presence to creation, instead of following Irenaeus and Athanasius in proposing God’s ability to mediate his own presence. We tried to understand the divine unity, but we chose (with Eunomius and Socinus) to believe that we could reason adequately about the divine essence, instead of following Basil, Gregory of Nyssa, Augustine, Thomas Aquinas, and John Calvin in asserting divine unknowability. We addressed divine simplicity, and chose (with Socinus and John Biddle) to discard it, rather than following Basil and the rest in affirming it as the heart of Trinitarian doctrine. We thought about Father, Son, and Holy Spirit, but chose (with Sabellius, Arius, and Eunomius) to affirm true personality of each, rather than following Augustine and John of Damascus in believing in one divine personality.

Er valt dus in de geschiedenis van het dogma iets te kiezen …